Rusteloosheid

Sommige dementie-patiënten zijn rusteloos. Ze voelen zich niet op hun gemak. Ze hebben het idee dat ze niet veilig zijn en reageren daarop met onrust en gejaagdheid. Ze raken geprikkeld en gaan op zoek. Soms halen ze dingen overhoop in huis.

Op zich is dat begrijpelijk. Ze vergeten dingen. Daardoor gebeuren er dingen die voor hen een verrassing zijn. Maar ze merken aan zichzelf of aan anderen wel dat ze iets verkeerd doen. Dat maakt onzeker en daar zoeken ze een uitweg voor. Voor sommigen betekent dat dat ze stil in een hoekje gaan zitten. Anderen zoeken afleiding in beweging. Opruimen van allerlei dingen is dan een manier van afreageren. Al zal de omgeving het eerder zien als de boel overhoop halen. En misschien ziet de dementerende ook wel dat zijn goede bedoelingen niet altijd goed uitpakken en dat draagt dan weer bij aan de onrust. De onrust die voortkomt uit onzekerheid maakt het ziek-zijn voor de patiënt moeilijk. Hij of zij lijdt aan de rusteloosheid.
Het is voor de omgeving moeilijk om onrust te hanteren. Samen optrekken met iemand die erg gespannen en onrustig is, werkt aanstekelijk. Ook de andere aanwezigen raken vanzelf gespannen. Het is goed te beseffen dat het zo werkt. Als het niet tot schade leidt, kun je de dementerende laten begaan. Hoe meer je je ermee bemoeit, hoe onrustiger iemand wordt.
Soms is het mogelijk om iemand een karwei te geven, werk in huis of in de tuin. Soms is het ook goed om iets in het vooruitzicht te stellen. Nog even dit en dat doen en dan gaan we .... een stukje wandelen, fietsen, op de thee bij de buren.
Bij ernstige rusteloosheid kunnen medicijnen helpen om de ergste onrust weg te nemen. Maar deze medicijnen remmen de patiënt en soms wordt hij dan traag en vermoeid terwijl de innerlijke onrust blijft. Het is dus soms moeilijk om het goede medicijn en de passende dosering te vinden.